In Debt

“Farha! Niet te dicht bij de rand staan!” Roept Dheeran. Farha hoort hem niet, ze heeft alleen maar oog voor het stromende water. Welk doel zou het hebben, waar wil het heen? “Farha!” Dheeran pakt haar schouder zachtjes vast, “Straks val je nog, kleine ‘sisu’ van me. Blijf een beetje in de buurt, oke?” Ze knikt vluchtig. “Maar kijk papa, er komt er zo weer eentje.” Terwijl Farha dit zegt springt er een grote grijs-blauwe vis met doorzichtige vleugels uit het water, en komt klem te zitten in één van de vele netten van de visserij die langs de waterval hangen. “Goed gezien, misschien moet jij mijn werk maar overnemen. Dan ga ik wel ongehoorzaam zitten wezen. Ik zeg het niet nog een keer; ik wil niet dat je in het water valt.” Dheeran pakt het visnet en gooit deze leeg in een grote bak, waarna hij de vis stuk voor stuk inspecteert en met een harde ruk de vleugels uittrekt. ”Ik wist dat hij zou komen, ik voelde het.” Farha kijkt vlug nog even over de rand van het platform, om te zien hoe de waterval zichzelf van de steile bergwand laat vallen, en zich een weg baant door de rest van Durga. Alleen dit keer geen vis. “Volgens mij kan ik je beter aan het werk zetten voor je eigen veiligheid; kom maar hier, dan laat ik je zien hoe je de vis schoonmaakt.” “Maar..” De ogen van haar vader zeiden genoeg, “..Okeee, is goed.” Teleurgesteld loopt Farha weg van het platform en richting de – voor haar - veel te grote werktafel. Twee grote sterke handen zetten haar voorzichtig op de rand van de tafel. “Ik doe er eerst wel een paar. Kijk goed mee.” Dheeran pakt een vis uit de bak en legt deze op tafel, waar hij hem stevig vasthoud met zijn linkerhand. Met zijn andere hand houdt hij een klein, smal mes vast tussen duim en wijsvinger. Zijn overige vingers strelen de flank van de vis. “Het is belangrijk dat we de vis geruststellen voordat we een einde maken aan zijn leven.” De vis stopt even kort met tegenstribbelen onder de aanraking van Dheeran’s vingers, waarna deze plaats maken voor het metalen lemmet van het mes. Farha kijkt met een akelig gezicht naar hoe haar vader de kop opzij schuift. “Heeft.. de vis pijn?” vraagt ze ondertussen. “Wanneer we de vis vangen, zijn we in strijd met de vis, en hij met ons. Pijn is onvermijdelijk wanneer we deze strijd beslissen. Voor de vis omdat hij zichzelf verdedigd, en voor ons omdat we moeite moeten doen om ons doel te behalen.” Farha kijkt even bedenkelijk; “Waarom liegen we dan tegen de vis?” “We liegen niet. We zeggen de vis zijn verlies te accepteren, en niet bang te zijn voor wat komt. Niet om de pijn te verlichten, maar om de ziel angst te besparen.” “Oh-kee.. Ik snap het denk ik. We waarschuwen de vis en zeggen sorry?” Even moet Dheeran hard lachen, hij kijkt zijn dochtertje aan en knikt instemmend. “Ja, zoiets. Onthoud maar; Wees niet bang om pijn gedaan te worden, mijn ‘sisu’. De angst gaat dieper dan iemand je ooit kan raken.” “Ik ben ook niet bang! Net als jij.” “Nou stoere meid, dan durf je nu vast ook wel zelf een vis schoon te maken?” Farha kijkt bedenkelijk naar het mes en daarna naar haar vader. “Kom, we doen het samen.” Dheeran legt het mes in haar handen en zet haar voor zich neer op tafel. Farha kijkt weer even naar het mes; het voelt onwennig aan in haar kleine handen. Ondertussen legt Dheeran een nieuwe vis op tafel en houd deze vast met zijn linkerhand, terwijl hij met zijn andere hand Farha’s arm zorgvuldig vastpakt. Farha legt haar andere hand ook op de vis, bovenop de hand van haar vader, in een poging om te helpen de vis te stoppen om van de tafel te springen. Ook al is de vis net zo groot als een derde van haar lengte. Haar kleine hand bedekt amper de rug van die van Dheeran. “Heb je hem goed vast? Dan zet je zo het mes tegen de kieuwen en druk je heel hard. Wel hard drukken, dan is het sneller voorbij voor de vis. En vergeet niet om zijn angst te begeleiden.” “Uh-huh.” Knikt Farha even kort, haar gezicht vol spanning en concentratie. Net zoals haar vader deed streelt ze de flank van de vis met haar vingers. Het voelt glibberig, maar toch ruw; zoals een natte steen. Ergens klopt een kleine hartslag. Het is niet die van haar, maar het voelt bijna alsof ze een is met het ritme. Farha blijft de vis zachtjes aanraken, en deze zakt langzaam weg in wat bijna lijkt op een staat van eeuwige slaap. Ze brengt het koele metaal van het mes naar de kieuwen en voelt de vis even schrikken onder de koude rilling, waarna hij weer terugzakt in de trance onder haar vingers. Hij vertrouwt haar. Weet de vis echt wat komen gaat? De gedachte roept een lichte buikpijn op. Farha begint langzaam te snikken. “S-s-sorry papa.” Dheeran kijkt haar aan met een zorgzame glimlach, neemt het mes van haar over, en scheid kop en romp van elkaar. “Het geeft niet ‘Sisu’, ik ben trots. Ik denk dat de vis erg blij was met jouw gezelschap.” Hij aait haar over haar hoofd. “Ik denk dat we het ontschubben maar voor morgen bewaren. Zou er iets te halen vallen op de markt?” Dheeran hangt zijn overal van hard leer aan een grote haak en zet Farha met een simpele beweging op zijn linkerschouder. Ze lopen rustig de grote stenen trappen af die leiden naar de lagere gedeeltes van de stad.
De trappen en paden leiden door krappe straten tussen hoge smalle gebouwen en geven een claustrofobisch gevoel. Het gebrek aan licht tussen de bergen en hoge daken met de avondzon doet de tijd voor het gevoel sneller gaan. Toch is het nog druk op straat. Naarmate Dheeran en Farha dichterbij het centrum komen worden de straten breder, maar deze extra ruimte wordt direct bezet door verschillende kleine marktkramen. De hele straat echoot met de schreeuwerige stemmen van Oyari kooplieden die hun handel aan de man proberen te brengen. Dheeran werkt zich op een rustig tempo door de menigte, terwijl Farha haar ogen uitkijkt vanaf de handige hoogte van haar vader’s schouder. “Heer! Heer! Ja U, de sterke Oyari en het nog lieftalligere Oyari meisje!” Wordt er vanuit één van de kraampjes geroepen door een Vessi koopvrouw. “Ik heb hier authentieke handgemaakte sieraden uit Turval, gemaakt van de zeldzaamste parels! En ze sieren geen nek beter dan die van uw prachtige dochter, als u het mij vraagt.” De woorden rolden bijna van haar lippen alsof het gebracht werd in een beeldschoon gezang. Ze had een klein en gestroomlijnd postuur met lichte vrouwelijke rondingen. Op haar schouders en heupen visachtige vinnen. Haar huid vooral blauw met een schubbige textuur en enkele felle kleuren accentueerden haar gezicht, nek, en handen. Met een hoopvolle glimlach kijkt ze omhoog naar Dheeran en houd ondertussen een ketting voor zich uit. “Nee bedankt, misschien dat ik het overweeg als ze ouder is.” Antwoord hij beleefd en met een vriendelijke grijns. “Maar zou ik die eens beter mogen bekijken?” Dheeran wijst naar een klein armbandje gemaakt van touw en een gegraveerde zeeschelp. De inscriptie is een vreemd teken dat lijkt op een vis die door een cirkel zwemt. “Deze? Dat is het teken van de Skiptis, een vissoort die leeft in de onderwatergrotten rondom Turval. Je ziet ze bijna nooit, maar één keer in de zoveel tijd trekken ze massaal weg naar het onbekende. Het teken staat daarom ook symbool voor het aanbreken van een nieuwe periode en het achterlaten van het vertrouwde.” Dheeran knikt in erkenning van de uitleg. “Doe deze dan maar, graag.” De koopvrouw slaat haar handen zegevierend in elkaar. “Ik neem aan dat hij voor de kleine meid is? Ik heb helaas geen armbanden in uw maat ben ik bang.” Dheeran tilt Farha van zijn schouder en zet haar neer op de grond voor het kraampje zodat ze haar arm uit kan steken naar de koopvrouw, die de armband vastmaakt om haar linker pols. “Kijk, hij past perfect.” Zegt ze met een glimlach. “De ketting is zeker één keer zijn gewicht waard, 2 koperen Ghanak moet voldoende zijn.” Dheeran knikt wederom instemmend en voelt even rond in zijn zakken waarna hij twee koperen kubussen ter grootte van een dobbelsteen overhandigt. De Vessi koopvrouw voelt even aan de gebeitelde inscripties en is daarna blij met de betaling. Ondertussen kijkt Farha gefascineerd naar de exotische schelp en het onbekende schrift. Ze heeft nog nooit de verre zee gezien, en deze schelp is het enige dat een soort van beeld geeft van hoe het daar zou kunnen zijn. Afgezien van de Vessi zelf dan, maar die komen ook maar weinig in Durga.
“Vind je hem mooi? De vis leek mij wel passend voor je hulp vandaag bij de visserij.” Farha kijkt haar vader even vragend aan. “Maar ik kon het niet..?” Na een vlug schouderklopje tilt Dheeran haar weer op en baant zich opnieuw een weg door de menigte met Farha op zijn schouder. “Dat komt vanzelf, je toonde eerst iets belangrijker: respect voor leven.” Farha’s verbaasde blik maakt al snel plaats voor een brede grijns, en ze speelt even trots met de armband aan haar pols. De volgende kramen worden uitgebaat door Oyari en verkopen lokale gelijksoortige producten zoals kleding, sierraden, en verschillende zalven en poeders voor de reiniging van het lichaam, maar ook simpele lekkernijen. Op de hoek van de straat zijn twee mensen blijkbaar ontevreden met hun aankoop of iets dergelijks. Ze wijzen met vingers naar de verkoper, en spreken aan hun mond bewegingen te zien harde woorden. De kraameigenaar, een wat kleinere en minder robuuste Oyari dan Dheeran, probeert het probleem weg te wuiven met een goedgehumeurde glimlach en het ophalen van zijn schouders. Waarna de boze mannen weglopen van de kraam en zich gehaast een weg banen door de menigte. Naarmate Dheeran en Farha dichterbij komen herkent de Oyari handelaar hen en roept ze enthousiast naar zijn kraam. “Ah! Broeder! En natuurlijk mijn favoriete nichtje. Leuk om jullie weer eens te zien!” Farha zwaait met kleine vlugge armbewegingen terwijl ze teruggroet. “Hallo oom Grishm!” Dheeran daarentegen salueert kort met twee vingers tegen het voorhoofd om zijn jongere broertje te groeten. “Grishm.” Dheeran speurt aandachtig de koopwaar af die uitgestald ligt op de tafel voor zijn broer. Het zijn armbanden in verschillende kleuren, met daarop een rechthoekige verdikking bevestigd met een lichtgevende rand en een kleine opening aan de zijkant. “Wat probeer je de inwoners van Durga dit keer aan te smeren?” vraagt hij met een lichtelijk geïrriteerde toon. Grishm schijnt het onderliggende sarcasme niet door te hebben en grijpt de kans om zijn producten luidkeels aan te prijzen. “Dit zijn de producten van de toekomst! Speciaal geïmporteerd uit Kridt, technologie van de hoogste plank; zo uit de fabriek!” Dheeran kijkt argwanend. “Dit specifieke model is de nieuwste ‘Enlighter FE’ editie uit de serie van Energy Lighters. Hij geeft licht wanneer je in het duister stapt, er zit een aansteker in, en je vergeet nooit meer de tijd met dit stukje hardware om je pols. Uiteraard kan het tegen een stootje.” Dheeran pakt een exemplaar op van de tafel en maakt de bevestigingsklip aan de onderkant los. Het is niet eens nodig om het te passen, de band is veel te klein voor zijn polsen. “En hoe denk je deze dingen te verkopen wanneer je ze alleen maar in menselijke maten hebt?” Grishm zijn grijns blijft even hangen in een pijnlijke stilte terwijl Dheeran het polsapparaat weer teruggooit op tafel. “Ehh.. voor nu heb ik ze inderdaad helaas niet in grotere maten, maar het is ook meer de bedoeling om de markt alvast enthousiast te maken terwijl ik wacht op de volgende levering, zeg maar.” Grishm lijkt Dheeran zijn blik lichtelijk te ontwijken door een beetje meer naar rechts te kijken langs zijn schouder. “Maar, eh, ik zal gelijk even navragen bij mijn leverancier als je geïnteresseerd bent. Helaas moet ik nu even weg bedenk ik me plotseling. Tot ziens!” Dheeran kijkt Grishm na terwijl zijn broer in het magazijn verdwijnt waar hij zijn voorraad bewaard achter zijn kraam, en laat deze onbewaakt achter. Dheeran schud zijn hoofd langzaam met een zucht. “Wanneer leert hij het nou ooit.” “Wat moet oom Grishm leren?” Vraagt Farha nieuwsgierig in reactie op Dheeran’s onbewust hardop uitgesproken woorden. “Oom Grishm ontbreekt het soms aan geduld en wijsheid.” Farha knikt begrijpend, “Net zoals ik?” zegt ze met een oprecht gezicht. Dheeran’s glimlach keert in kleine mate weer terug. “Ja, klopt, al zou oom Grishm beter moeten weten, en ben jij nog jong. Maar, genoeg over je oom. Kom, we zullen mama niet laten wachten.”
Dheeran en Farha vervolgen hun pad naar de andere kant van de stad vanaf de markt. Naarmate ze dichter bij de zuidkant komen worden straten steeds minder vaak onderbroken door grote trappen
en treden en veranderen de krappe steegjes in duidelijk brede banen. Het zicht aan het einde van de straat wordt geblokkeerd door een segment van een massieve verdedigingsmuur. De muur bestaat voornamelijk uit puur gesteente dat de uitgesleten bergholte van Durga al duizenden jaren afschermd. Veel van de bouwwerken erachter hebben moeite om boven de muur uit te torenen. Er zijn treden in de zijkant van de muur uitgehouwen, maar het is een hele klim. Dheeran en Farha blijven voor de muur staan bij een mechanische munitie-lift en stappen op het metalen platform. Het platform brengt ze aan een paar rollenkettingen en tandwielen met een redelijke snelheid omhoog. Farha kijkt terug de stad in. Naarmate ze steeds hoger gaan valt er meer van de gigantische vesting te zien. De stad strekt zich breed uit in de uitgesleten bergholte omringd door hoge richels en bergketenen, met de waterval en zijn stroming als centrale levensader die onder haar voeten in een spelonk onder de muur verdwijnt. De gebouwen staan in een golvend patroon tegen het gesteente aangebouwd, verbonden met vele paden en treden. Achterin tegen de bergwand aan valt vooral veel industrie en bezigheid te zien, waaronder de visserij waar Dheeran werkt. Naarmate Farha het pad volgt met haar ogen waar ze zonet zijn langsgelopen maakt industrie plaats voor woonhuizen, met het dichtste bij de muur de garnizoenen die de bewakers huisvesten om een oogje in het zeil te houden. Haar ogen dwalen daarna nog even over de wijk in het oosten op zoek naar hun eigen huis, maar voordat ze deze kan vinden komt de lift met een harde klik tot stilstand. Dheeran stapt van het platform de muur op met Farha nog op zijn schouder. De bovenkant van de muur is zo goed als vlak gemaakt met hier en daar niveau verschil, maar verre van egaal. Een golf van het laatste avondlicht omarmt hen direct. Ze worden begroet door twee Oyari die wacht houden bij een geschut positie met een groot artilleriestuk. De wachters zijn gehuld in verschillende losse metalen platen die hun hele lichaam bedekken. Eronder, tussen de zware platen, vallen stukjes van harde lederen kleding te zien. Ze houden een groot schild voor zich en dragen een zwaard aan een riem net onder hun linkerarm. Aan dezelfde arm heeft een metalen plaat aan de onderarm plaats gemaakt voor een raar apparaat, Farha heeft geen idee wat het is maar waarschijnlijk een afstandswapen. Ze zien er intimiderend uit, zelfs vanaf de hoogte van Dheeran’s schouder. Al snel draaien ze zich weer om en focussen zich op het landschap buiten de muur. In het dal buiten de muur ligt een smalle maar lang uitgerekte grasvlakte. Vlak voor de muur houd deze op aan de rand van een verraderlijk ravijn. De enige manier om vanaf daar de stad binnen te komen is via een overhangende brug naar de grote poort. Vlak naast de brug stroomt het water uit de stad onder de muur door en duikt de diepte van het ravijn in. “Vergeet je door het uitzicht niet waarvoor we hier zijn, ‘Sisu’?” Farha schrikt even wakker uit haar dagdroom. “Weet je nog waar het is?” vraagt Dheeran, waarop Farha direct wijst naar een specifieke slinger aan vlaggetjes die tussen een wachttoren en een lange paal hangen. Langs de hele muur hangen nog meer van deze vierkante vlaggetjes in verschillende kleuren. “Die is het!” Roept Farha zelfverzekerd. Dheeran loopt er naar toe, pakt de slinger vast en trekt deze zachtjes naar zich toe. Waardoor de vlaggen iets rustiger dansen in de wind. Farha haalt uit haar zak een soortgelijk opgevouwen vlaggetje tevoorschijn en spreid deze uit. Het vlaggetje is een felle kleur rood met twee grote sterren en één kleine ster erop geborduurd in witte stiksels. Eronder staat een korte mantra beschreven: ’Yo Nah’, ‘Het licht in Ons’. Farha streelt zachtjes met haar hand over het stof. “Zal mama het mooi vinden, papa? Wij zijn de sterren, en ze geven licht. Ik koos voor sterren omdat we samen zijn als we slapen.” Dheeran wrijft zachtjes over de wreef van haar voeten, die over zijn schouder hangen. “Ik denk dat je moeder er heel blij mee zal zijn. Zullen we hem maar ophangen? Dan zal het wapperen in de wind onze boodschap naar mama brengen.” Farha knikt zachtjes, en terwijl Dheeran de slinger vasthoud vouwt Farha de hoeken van het vlaggetje dubbel over het touw, en knoopt deze vast. Nadat Dheeran de slinger weer heeft losgelaten danst het nieuwe vlaggetje,
samen met de vorige en die van anderen, rusteloos in de wind. Samen staren ze naar het vlaggetje. “Ik mis mama..” “Ik ook ‘Sisu’, ik ook.” Farha slaat haar armen om haar vader’s nek en laat zich van zijn schouder naar beneden zakken, waar Dheeran haar opvangt in een troostende omhelzing. Farha dragend in zijn armen, terwijl ze hem nog steeds stevig vasthoud, loopt Dheeran weer richting de munitielift. En met een klein zetje van het laatste avondlicht dalen ze weer samen af in het duister achter de muur. De nacht daalt nu snel in over Durga en het enkele licht op straat is afkomstig uit woningen en andere gebouwen. Dheeran negeert dit keer de hoofdwegen die leiden naar de achterkant van Durga, en loopt langs de muur naar het oosten. Farha is waarschijnlijk zonder dat hij het door heeft in slaap gevallen. Ze houd zich niet zo stevig meer vast en haar ademhaling blaast lange rustige golven tegen zijn nek. Het is ook erg rustig en stil buiten, afgezien van wat gebulder en gelach dat uit één van de garnizoenen afkomstig is. Na een tijdje slaat Dheeran een krappe laan in die weer wegleid van de muur en laat zo het luide gejuich van mannen-onder-elkaar achter zich. Een tijdje loopt Dheeran zo langzaam maar met stevige passen door, ondertussen in gedachten. “De wereld zal van je houden ‘Sisu’, en alle wreedheid zal mij moeten passeren.” Fluistert hij uiteindelijk zachtjes voor zich uit. Farha schrikt meteen wakker, gevolgd door het kabaal van barstend en krakend hout. Ze kijkt geschrokken rond. Dheeran staat stil en neemt de omgeving onmiddellijk zo goed mogelijk in zich op zover het duister toestaat. De oorzaak van het geluid kwam uit de richting van een tunneltje links van hen, dat onder een gebouw door leid. Dat zou de doffe klank verklaren. Even twijfelt Dheeran of hij niet beter door kan lopen. In het tunneltje staan verschillende schaduwen gebogen over een gedaante die tussen een stapel gebroken kratten op de grond ligt. De persoon op de grond is waarschijnlijk een Oyari, ondanks zijn kleine formaat. De reden dat hij op de grond ligt is zeker weten een Oyari. Deze staat met gebalde vuisten over het hoopje hopeloos verzet heengebogen. Het kringetje toeschouwers is menselijk, met hun arrogante houding. “Waar is mijn eigendom, Grishm.” Een man stapt naar voren uit de kring, waarschijnlijk de leider van het schorem. Zijn gezicht verborgen in de schaduw en onder een capuchon. Hij houd zijn hand omhoog en wuift de beul toe om een stapje terug te doen. “Zo is eerst wel genoeg Rugu, geef hem wat ademruimte. Hij moet nog kunnen praten; voor nu.” Grishm ligt in elkaar gedoken op de grond, met zijn armen om zijn middel gevouwen. Een klein lijntje bloed loopt omlaag langs zijn gezicht. “I-i-ik weet niet waar.. je het over hebt Brado, e-echt niet. Gaat het om geld? De verkoop gaat.. traag.” “Ah ja, mijn geld. Bedankt voor het herinneren.” De man geeft hem een schop in zijn zij. Grishm kreunt zachtjes van de pijn. “Je mag me gelijk terugbetalen wanneer je mijn bezit netjes terug komt brengen.” De man schopt nog een keer, “Ik eis..”, en nog een keer, “..respect.” Met een smerige rochel spuugt hij de weerloze Oyari na in het gezicht. Het groepje lacht aanmoedigend. “Niemand bedriegt mij. Alles gaat zoals IK het wil!” Langzaam wordt de woede en frustratie in zijn stem duidelijk. Grishm ligt nog steeds trillend en stamelend op de grond. “Ok-e-ee! Okee!” “Okee? Okee WAT!?” Grishm’s woorden blijven onverstaanbaar. Zijn ondervrager lijkt zichzelf weer een beetje in de hand te krijgen. “Rugu, volgens mij heeft Grishm behoefte aan een extra geheugensteuntje, zodat hij het niet vergeet. ” De grote beul van een Oyari slaat zijn gigantische handen in elkaar en kraakt zijn vingers. Grishm probeert er nog tussenuit te komen met een kleine smeekbede, terwijl hij zijn armen voor zich uit houd. “N-nee, d-d-dat is niet nodig hoor!” Het smeken doet de beul alleen maar grijnzen. Ondertussen maakt Brado zijn stroom van gedachten af. “Hmm, misschien is een oor een leuke. Misschien leer je ze dan te gebruiken.” De beul houd Grishm vast in een wurggreep, en reikt naar iets dat achter zijn riem gestopt zit. Dheeran kan niet langer toekijken. Hij staat in de opening van de tunnel en slaat met zijn vuist tegen de zijwand, Farha achter zijn been verscholen. De klap echoot dof door de tunnel, gevolgd door zijn zware stem. “Volgens mij is het hem wel duidelijk. Vertrek nu en
we spreken er niet meer over.” Brado kijkt verbaasd op naar zijn nieuwe gast. “En met wie heb ik hier het genoegen?” Dheeran’s antwoord laat weinig aan de verbeelding over: “Vertrek.” Brado lijkt hem even in zich op te nemen, waarna hij Dheeran’s aanwezigheid totaal negeert. Hij maakt weer een gebaar naar de beul, en deze laat Grishm los uit zijn verstikkende greep. Grishm zakt direct weer trillend op zijn knieën. “Genoeg. We hebben het er zeker nog over, maar gelukkig voor jou heb ik nog andere plannen.” Bij het passeren door Brado krijgt hij nog even een trap in de rug en valt met zijn gezicht op de bestrating. De man loopt verder naar het andere uiteinde van de tunnel zonder één van hen nog maar een blik waardig te gunnen. De rest van zijn gevolg volgt braaf, en ze verdwijnen stuk voor stuk in de donkere schaduwen achter in het tunneltje. Farha heeft haar ogen gesloten en houd zich stevig vast aan het been van Dheeran, stukken stof van zijn broek stijf in haar handen geklemd. “Is de.. boze man weg, papa?” vraagt ze snikkend. “Het is al goed ‘sisu’, niemand doet je iets zolang ik er ben.” Farha opent langzaam haar ogen. Ze kijkt weer de tunnel in. De enge mannen zijn weg. De enige verderop in de tunnel is Grishm, die langzaam omhoog probeert te komen. Zijn rechterarm lijkt gebroken, of in ieder geval erg zeer te doen, maar zal vast niet het enige zijn dat pijn doet. “Blijf hier Farha.” Dheeran loopt naar Grishm toe om zijn hand uit te steken. “Bedankt broeder.. Ik sta bij je in de schuld.” Voordat Grishm de hand kan aannemen grijpt deze naar zijn keel en sleurt hem aan de hals van zijn jas omhoog tegen de muur aan. “Het is dat we hetzelfde bloed delen, maar anders.. Waar ben je mee bezig?!” Dheeran’s ogen staren Grishm waarschuwend aan. “Niks, gewoon wat onenigheid over goederen. Ik heb hier en daar misschien een rekening vergeten te betalen..” Dheeran’s vuist slaat met een woedende inslag op het stuk muur naast Grishm’s hoofd. “Hou me niet voor een dwaas, Grishm!” Grishm houd zijn handen voor zich bij wijze van een bedarend gebaar, maar ook om maar iets tussen hem en zijn broer te plaatsen. “Okee okee, misschien ben ik niet helemaal voor de eerlijkste leverancier gegaan. De koopwaar is gestolen, zo kon ik het heel goedkoop krijgen. Maar wie gaat het nou ooit hier in het noorden zoeken?” Dheeran’s ogen staan op het punt om in vlammen op te gaan die zijn rode hoofd doet ontploffen van woede. “Wanneer leert jouw geest ooit de wijsheid te bevatten, om niet steeds jezelf en je familie te verwikkelen in je dwaze handel!” Grishm zoekt stotterend naar woorden. “Het spijt me, okee? Het was niet de bedoeling dat jullie langskwamen..” Hij laat zijn schouders hulpeloos hangen. “Ik wacht op de dag dat onze paden kunnen kruizen zonder dat ik je moet redden van je eigen dwaasheid.” Dheeran’s sneer raakt zijn doel. “Ik ben niet zoals jij, oke? Ik ben niet sterk of dapper, maar er is niks mis met proberen er iets van te maken.” “Er iets van maken? Je behoort toe aan de criminelen!” Grishm blijft stil, zijn lichaam te zwak om nog een weerwoord te bieden. Dheeran staart hem diep in de ogen, met zijn hand nog steeds om de kraag van Grishm’s jas. “Je bent een schande.” Dheeran laat hem los en Grishm zakt weer als een zak stenen op de grond. “Ik wil je niet meer in de buurt van Farha hebben totdat je de zaken met deze ongure types hebt rechtgezet.” Hij draait zich om en loopt terug richting Farha. Deze staat schuifelend met haar voeten en haar armen over elkaar nog steeds aan het uiteinde van de tunnel. “We gaan naar huis.” Hij tilt haar op zijn schouder en loopt de tunnel uit. Farha kijkt vanaf de schouder nog even achterom naar hoe haar oom daar opgerold blijft liggen. Hij doet geen poging om op te staan. “Wat gebeurd er? Waarom vochten jullie?” vraagt ze met een trillend lipje. Dheeran’s antwoord is kalm, maar de woede van zonet heerst nog ergens achterin zijn stem. “We vochten niet. Oom Grishm heeft zijn vrienden verkeerd gekozen, en heeft zichzelf in de problemen gewerkt.” Farha kijkt nogmaals achterom, maar ze zijn al de hoek om. “Dan moeten we helpen.” Dheeran staart heel eventjes bedenkelijk voor zich uit. “Soms moet je leren om zelf verantwoordelijkheid te nemen.” Dheeran loopt stug door met grote passen, Farha springt omlaag van zijn schouder en hij kan haar nog net vangen. Ze kijkt met grote ogen naar hem op, waterige lijntjes verschijnen al in de hoeken.
“Mama zei ‘Familie betekent samen blijven’, en niemand kan worden buitengesloten.” Dheeran knielt voor haar neer, en sluit haar in zijn armen. Met zijn ogen dicht klopt hij haar zachtjes op haar rug. “Dat zei mama inderdaad, en dat mogen we niet vergeten.”

Need for Speed

“Ik heb mijn twijfels, sowieso dat dit niet gaat werken.”
“Wacht maar af, het wordt episch. - Schroevendraaier graag.”
“Hé jongens! Zou dit passen?”
“Vast wel, gewoon extra vast zetten.”

Daar stonden we dan, gebogen over iets dat door moest gaan als een stoere asfaltvreter, maar eigenlijk meer in aanmerking kwam voor de lelijkste zeepkist. Ooit. Wel een zeepkist die 58 kilometer per uur haalt, en daar ging het natuurlijk om. Simpel en effectief. De basis was gemaakt van een oude skelter, met daarop de opgevoerde overblijfselen van een oude brommer en één - nee, twee - grasmaaiers. Ja, we waren er best trots op. Heel trots eerlijk gezegd. Iets te trots om toe te durven geven dat er ‘mogelijk’ een paar foutjes in het ontwerp zaten. Hier kwamen we later wel achter. Maar hé, episch was het. Die 58 hebben we gehaald, en we waren nog sneller weer bij 0.

DAG#3: JONGENS BLIJVEN JONGENS

De afgelopen dagen waren zo ongelofelijk dat we bang waren dat niemand ons meer zou geloven. We zijn helemaal vanaf Hellum naar een verlaten oase in de omgeving van Haselünne gereden om er tussenuit te knijpen als mannen onder elkaar en ouderwets te kamperen. In Fürstenau belandden we op een ex-militair terrein waar we onze oude Land Rover de hele dag door de modder hebben getrokken, en hem bijna verzopen in diep water. Als je dan aan het einde van de dag met een voldaan gevoel rondom het vuur kruipt met een heerlijk stuk varken in de hand, zeg je tegen jezelf: dit kan op geen enkele manier nog beter worden. En de waarheid is treurig, aan alles komt inderdaad een einde.

DAG#2: JONGENS BLIJVEN JONGENS

Tot op het huidige punt is onze roadtrip al één groot succes. We zijn helemaal vanaf Hellum naar een verlaten oase in de omgeving van Haselünne gereden via oncomfortabele weggetjes, fietspaden, en routes die niet eens het recht hebben om als dergelijke geclassificeerd te worden. Onderweg zijn we verdwaald, in een vuurlinie beland, en hebben we het platteland afgespeurd naar een onbekende man en zijn antwoord op onze vraag. En als je dacht dat het na de frisse duik als afsluiter niet meer beter kon, dan heb je het mis. Oh, ja zeker. Het wordt alleen maar beter.